Tijd als water
Het is nog heel even februari, de kortste maand van het jaar. Een maand waarin het leven opstart en de lente langzaam zijn aanwezigheid inluidt met krokussen, sneeuwklokjes en cyclaam. Februari is ook de enige maand met 28 dagen, het reguliere ritme van een maancyclus. Tenzij het een schrikkeljaar is (dat komt van het woord 'schricken'; dat 'een grote stap zetten' of 'springen' betekent). Het jaar verspringt bijvoorbeeld in 2024 weer. Maar genoeg over februari.
Vorige editie ging het over jezelf doodwerken, vandaag gaat het over overvloed. Dat woord zegt het al. Een vloed is een berg water, onvoorstelbaar groot. Een vloed kan moois brengen maar ook veel ellende. Een stormvloed bijvoorbeeld. Het gaat om het komen en gaan, het geven en nemen, het wassen (groeien) en tanen (afnemen). Overvloed is de garantie dat er altijd genoeg is en ook altijd zal zijn omdat het patroon zich herhaalt tot in oneindigheid.
Tijd en overvloed zijn voor mij veel logischer gekoppeld dan tijd en schaarste. Er is namelijk oneindig veel tijd. Tijd wordt dan ook vaak vergeleken met water. Bijvoorbeeld 'ik heb zeeën van tijd' of het bekende gezegde Panta Rhei. Dat wil zeggen 'alles stroomt': wie een teen in een rivier steekt ervaart een steeds veranderende rivier, maar ook de mens is van het ene op het andere moment altijd anders. Water heeft een belangrijke ceremoniële functie om momenten in de tijd te markeren zoals dopen bij een nieuwe geboorte, het wassen van voeten of handen om kwetsuren uit het verleden te verwerken of het brengen van een plengoffer voor voorspoed.
We doen vaak of we tijd kunnen tellen en verhandelen maar in werkelijkheid glipt tijd door onze vingers, als water door een beek. Tijd is ongrijpbaar. Zoals Nederland weerstand biedt aan het natuurlijke komen en gaan van water via stormvloedkeringen en dijken, zo proberen mensen via horloges en agenda's grip te krijgen op de tijd. Die oefening zal altijd futiel blijken te zijn; water vindt zijn weg toch wel. Als het niet over de dijk is, dan via een land dat elk jaar een centimeter inklinkt en uiteindelijk toch overstroomt. De tijd heeft ook een eigen wil; je kan het niet terugdraaien, het enige onvermijdelijke zijn de dood en wedergeboorte, de cyclus.
Overvloed is wat mij betreft het wegnemen van barrières. Als je ergens een grens bouwt kan het water niet overal heen. De druk die zich opbouwt mondt dan uit in een ramp. Geef je jezelf over aan de natuurlijke stroom, dan egaliseert de druk vanzelf en wordt je vanzelf meegevoerd met de stroom. Een jaarlijkse overstroming laat bijvoorbeeld een laagje slib achter. Dat is geen afval dat gebaggerd moet worden maar een immens waardevolle voedingsbodem.
Overvloed denken is dat laagje slib verwelkomen in je leven. Jezelf verbinden met de ander. Het diepe vertrouwen dat het wel goed komt omdat het leven altijd één grote cyclus is geweest en zal zijn.
Tijd om dat in de praktijk te brengen. Over vier weken schrijf ik over het basisinkomen als teken van overvloed.